EHRC 2016/85
| Authors |
|
|---|---|
| Publication date | 2016 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Case Number | ['C-601/15 PPU'] |
| Article number | 85 |
| Volume | Issue number | 17 | 5 |
| Organisations |
|
| Abstract |
J.N. is een asielzoeker wiens asielverzoeken tot driemaal toe zijn afgewezen en die in Nederland 21 keer is veroordeeld vanwege strafbare feiten. Hij heeft in dat verband een inreisverbod opgelegd gekregen, maar is in overtreding daarvan opnieuw Nederland binnengekomen en heeft een vierde asielverzoek ingediend. In afwachting daarvan heeft hij rechtmatig verblijf, maar hij wordt niettemin in bewaring gesteld omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, op grond van art. 59b, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet, welke bepaling een omzetting is van art. 8, derde lid, eerste alinea, onder e, van Richtlijn 2013/33 (Opvangrichtlijn). De Raad van State vraagt zich af hoe die bewaring en de richtlijnbepaling zich verhouden met art. 5, eerste lid, onder f, EVRM in het licht van de EHRM-uitspraak hierover in Nabil t. Hongarije (EHRM 22 september 2015, nr. 62116/12, «EHRC» 2015/235). Het HvJ stelt voorop dat het EVRM voor de EU niet verbindend is, maar dat volgens de toelichtingen bij het Handvest en art. 53, tweede lid Hv wel een uitleg moet worden gegeven aan het Handvest die correspondeert met de EHRM-rechtspraak, met respect voor het bijzondere karakter van het EU-recht. Dit betekent dat art. 6 Hv voorop moet worden geplaatst en dat een uitleg moet worden gegeven die ervoor zorgt dat de geldigheid van het EU-recht niet wordt aangetast en dat het gehele primaire EU-recht in acht wordt genomen. De vraag is dan ook of de bepaling van richtlijn 2013/33 in overeenstemming is met de in art. 52 Hv gestelde eisen. Gelet op het feit dat het gaat om een richtlijnbepaling die een beperking vormt, is die in ieder geval voorzien bij wet. Duidelijk is ook dat de wezenlijke inhoud of kern van art. 6 Hv niet wordt aangetast, nu geen afbreuk wordt gedaan aan deze waarborg en alleen een bevoegdheid wordt verleend om iemand in voorkomende gevallen in bewaring te stellen. De maatregel draagt bij aan de bescherming van openbare orde en veiligheid en is daarmee in het algemeen belang, zeker nu veiligheid een belang is dat expliciet door art. 6 Hv wordt beschermd. Inbewaringstelling is een geschikt middel om dat doel te dienen. Voor de beoordeling van de noodzakelijkheid is belangrijk om rekening te houden met de diverse waarborgen waarmee de bewaringsmaatregel is omkleed, zoals het feit dat volgens rechtspraak alleen bewaring mogelijk is als die maatregel nodig blijkt op basis van een individuele beoordeling van het geval en wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast, en als sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Daarbij bestaan bovendien grondige procedurele waarborgen en is duidelijk dat het opleggen van de maatregel niet onevenredig kan zijn aan het nagestreefde doel. De regeling zelf is daarmee in overeenstemming met art. 6 Hv. Het feit dat iemand een nieuw asielverzoek heeft ingediend staat daarnaast niet in de weg aan het nemen van een bewaringsmaatregel, als die op termijn is gericht op verwijdering. Die uitlegging is niet in strijd met art. 5, eerste lid, sub (f) EVRM en de rechtspraak van het EHRM. Het EHRM heeft weliswaar geoordeeld dat bewaring niet acceptabel is als die niet is gericht op verwijdering, maar de rechtspraak kan ook zo worden gelezen dat bewaring is toegestaan omdat na afwijzing van het asielverzoek uitzetting weer mogelijk wordt. Gelet daarop voldoet deze uitleg van art. 8 van de richtlijn ook aan de eisen van het EVRM.
|
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | https://opmaat.sdu.nl/book/SDU_SDUJ_j_EHRC_2016_85/j_EHRC_2016_85 |
| Permalink to this page | |
