EHRM (rolnummer 16483/12: Khlaifia e.a. tegen Italië)

Authors
Publication date 2015
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 233
Volume | Issue number 2015 | 12
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
Klagers zijn bootmigranten met de Tunesische nationaliteit die op Lampedusa zijn aangekomen en direct in een opvangfaciliteit zijn geplaatst. De situatie was daar volgens hen erbarmelijk en na enkele dagen brak er na een opstand bovendien brand uit. Daardoor werd de faciliteit tijdelijk onbewoonbaar en werden klagers overgeplaatst naar twee schepen in de haven van Palermo; beweerdelijk waren ook daar de condities zeer slecht. Uiteindelijk zijn zij teruggestuurd naar Tunesië, weliswaar op basis van individuele besluiten, maar zonder dat daarin aandacht werd besteed aan hun persoonlijke situaties.

Het Hof stelt allereerst vast dat de detentie in de opvangfaciliteit neerkwam op vrijheidsbeneming in de zin van art. 5 EVRM. Om verenigbaar te kunnen zijn met het EVRM moet die detentie zijn gebaseerd op een van de in art. 5 lid 1 EVRM opgenomen gronden. Italië heeft niet duidelijk gemaakt welke van deze gronden dit is, waardoor de rechtmatigheid van de detentie twijfelachtig is. Zelfs als zou worden aangenomen dat art. 5 lid 1 (f) hier toepasselijk is, hetgeen het Hof bereid is te doen, geldt dat er geen wettelijke grondslag bestond voor de detentie. Daardoor is sprake van een schending van art. 5 EVRM, zonder dat op de noodzakelijkheid of redelijkheid van de detentie hoeft te worden ingegaan. Verder stelt het Hof vast dat klagers niet voldoende zijn geïnformeerd over de redenen van detentie, of in ieder geval alleen in heel algemene termen; daardoor is ook art. 5 lid 2 EVRM geschonden. Door dat gebrek aan informatievoorziening en door het ontbreken van een wettelijke grondslag voor detentie was er ook geen effectieve rechtsbescherming mogelijk in de zin van art. 5 lid 4 EVRM.

Ten aanzien van de omstandigheden in het opvangcentrum overweegt het Hof dat sprake was van overbevolking, wat wordt bevestigd door rapporten van een expertcomité van de Italiaanse senaat en Amnesty. Weliswaar hebben klagers maar kort in het centrum opgesloten gezeten, maar dat is niet relevant als de minimumgrenzen van acceptabele detentieomstandigheden onder art. 3 EVRM zijn overschreden. De omstandigheden op het schip zijn niet bewezen heel slecht geweest; het Hof is bereid de uitlatingen van een parlementariër hierover te geloven.

Ten aanzien van art. 4 Vierde Protocol EVRM overweegt het Hof dat collectieve uitzetting is verboden en dat het niet voldoende is dat migranten worden geïdentificeerd en een individueel gerichte beschikking krijgen, maar dat uit het besluit moet blijken dat hun individuele omstandigheden daadwerkelijk zijn bekeken. Nu dat niet is gebeurd, stelt het Hof een schending van art. 4 Vierde Protocol vast. Omdat er een rechtsmiddel met schorsende werking open moet staan tegen een uitzetting vanwege de vermeende collectieve aard en die schorsende werking niet bestond, is ook art. 13 EVRM geschonden.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2015/233
Permalink to this page
Back