HR (rolnr. 13/00490, ECLI:NL:HR:2013:1139, ECLI:NL:PHR:2013:951, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY5619)

Authors
Publication date 2013
Journal Jurisprudentie Arbeidsrecht
Article number 301
Volume | Issue number 2013 | 17
Pages (from-to) 2243-2255
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Hugo Sinzheimer Instituut (HSI)
Abstract
Het Stadsdeel Zuid van de Gemeente Amsterdam besluit na instemming van de deelraad ruim vier miljoen euro aan krediet ter beschikking te stellen voor de renovatie van een zwembad dat onder het beheer van het Stadsdeel valt. De Ondernemingsraad verzoekt daarop het besluit ter advisering aan hem voor te leggen op de grond dat het hier gaat om een belangrijke investering en het aantrekken van een belangrijk krediet. Ingevolge art. 25 lid 1 onder h en i WOR is de Ondernemingsraad adviesgerechtigd ten aanzien van elk voorgenomen besluit tot het doen van een belangrijke investering respectievelijk het aantrekken van een belangrijk krediet ten behoeve van de onderneming. Het Stadsdeel weigert het besluit voor te leggen en stelt zich op het standpunt dat het hier niet gaat om een adviesplichtig besluit, omdat het onder de uitzondering van art. 46d onder b WOR valt (het "politiek primaat"). In de onderhavige procedure verzoekt de Ondernemingsraad de Ondernemingskamer om (i) te verklaren dat het Stadsdeel niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, (ii) het Stadsdeel de verplichting op te leggen om het besluit in te trekken alsmede alle gevolgen van het besluit ongedaan te maken, en (iii) het Stadsdeel te verbieden om handelingen te verrichten ter uitvoering van het besluit of onderdelen daarvan. De Ondernemingskamer wijst de verzoeken toe. Zij overweegt dat het feit dat het hier gaat om een besluit van een democratisch gekozen orgaan, niet voldoende is om te concluderen dat het besluit de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke lichamen en onderdelen daarvan of het beleid ten aanzien van en de uitvoering van die taken als bedoeld in art. 46d onder b WOR betreft. Volgens de Ondernemingskamer maken het feit dat het gaat om (gelden voor) de renovatie van een zwembad dat valt onder het beheer van het Stadsdeel en dat het besluit betrekking heeft op de verdeling van middelen, dat niet anders. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat de medezeggenschap bij de overheid verder zou worden beperkt dan nodig met het oog op de bescherming van het primaat van de politiek. Het gaat hier ook niet om een besluit dat van dien aard is dat het een politieke afweging vergt van de voor- en nadelen ervan. Het hiertegen gerichte cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad overweegt dat het Stadsdeel op basis van publiekrechtelijke wet- en regelgeving bij uitsluiting bevoegd is om binnen de door de gemeente Amsterdam vastgestelde kaders de begroting in te richten en vast te stellen en de daarmee samenhangende krediet- en investeringsbesluiten te nemen. Daarop heeft het onderhavige besluit, dat is genomen door een democratisch gecontroleerd overheidsorgaan, rechtstreeks betrekking. Alleen al omdat het besluit een politieke afweging vergt van de daaraan verbonden voor- en nadelen, is sprake van een besluit als bedoeld in art. 46d onder b WOR. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Ondernemingskamer, doet de zaak zelf af en wijst de oorspronkelijke verzoeken van de Ondernemingsraad af.

NB. Besluitvorming in een democratisch orgaan verdraagt zich veelal niet met de medezeggenschap van een ander orgaan, omdatdie besluitvorming vrijwel altijd zal berusten op een politieke afweging van de daaraan verbonden voor- en nadelen. Vgl. «JAR» 2002/116, «JAR» 2005/156, en «JAR» 2007/72.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JAR/2013/301
Permalink to this page
Back