EHRM (rolnummer 65692/12: Tatar tegen Zwitserland)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2015 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 138 |
| Volume | Issue number | 2015 | 7 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Klager is in 1987/88 in Turkije gefolterd en mishandeld en is daarop naar Zwitserland gevlucht, waar hij asiel heeft verkregen. Aanvankelijk werkte hij, maar na een arbeidsongeval kreeg hij een invaliditeitspensioen. Hij verbleef in Zwitserland met zijn vrouw en kinderen. In 2001 schoot hij zijn echtgenote dood, waarvoor hij tot acht jaar gevangenisstraf werd veroordeeld; hij werd gediagnosticeerd met een zware vorm van schizofrenie die hem verminderd toerekeningsvatbaar maakte en hij werd later gedwongen opgenomen. Vanwege de doodslag werd zijn verblijfsvergunning ingetrokken en werd geoordeeld dat hij moest terugkeren naar Turkije, waar hij inmiddels geen risico meer zou lopen en waar hij ook behandeld zou kunnen worden.
Het EHRM stelt vast dat het gaat om een ernstige ziekte, maar stemt in met het nationale oordeel dat ook in Turkije behandeling mogelijk is en dat om die reden uitzetting niet in strijd komt met art. 3 EVRM. Bovendien is het Hof het eens met de nationale autoriteiten dat er geen werkelijk risico bestaat van eerwraak en dat er desnoods een interne relocatiemogelijkheid zou bestaan. Nu sinds de gebeurtenissen in Turkije inmiddels twintig jaren zijn verstreken, zou bovendien het risico van vervolging minimaal zijn geworden. Ten aanzien van art. 8 EVRM komt het Hof tot het oordeel dat klager die klacht niet op nationaal niveau naar voren heeft gebracht en dat daarmee de nationale rechtsmiddelen niet zijn uitgeput; gelet op het beginsel van subsidiariteit en de noodzaak van een correctiemogelijkheid zou dat wel hebben moeten gebeuren. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2015/138 |
| Permalink to this page | |
