Hof Leeuwarden (rolnummer 200.076.207/01, LJN BY4476: toestemming echtgenoot voor borgtocht, andere echtgenoot vervalste handtekening, eigen schuld versus onderzoeksplicht bank)

Authors
Publication date 2013
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 2
Volume | Issue number 2013 | 1
Pages (from-to) 20-25
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
De vrouw had toestemming moeten geven voor een borgtocht die de man is aangegaan. De krachtens art. 1:88 lid 1 onder c BW vereiste toestemming van de echtgenote ontbreekt. De man had de handtekening van zijn vrouw vervalst. De vrouw heeft zich daarom in een buitengerechtelijke verklaring op de nietigheid van de borgtocht beroepen.

De bank beroept zich daartegen onder andere op goede trouw als bedoeld in art. 1:89 lid 2 BW. De bank stelt de akte van borgtocht naar het huisadres van de vrouw te hebben opgestuurd en vervolgens het stuk voorzien van de (naar achteraf gebleken vervalste) handtekening van de vrouw te hebben terugontvangen.

Het beroep van de bank wordt verworpen: van een professionele partij als de bank mag worden verwacht dat zij verifieert of de vrouw daadwerkelijk akkoord ging met de borgstelling.

De bank beroept zich subsidiair op een onrechtmatige daad van de man, hierin bestaande dat hij de handtekening van diens echtgenote heeft vervalst. De man beroept zich onder meer op eigen schuld van de bank, art. 6:101 BW. Het hof overweegt dat het in art. 1:88 BW geregelde toestemmingsvereiste van de andere echtgenoot ertoe strekt de echtgenoten, in het belang van het gezin, tegen elkaar te beschermen tegen het verrichten van rechtshandelingen die gezien het voorwerp of de aard daarvan benadelend zijn of een groot financieel risico meebrengen. Gelet op deze ratio heeft de voor bescherming van de wederpartij gestelde eis van goede trouw, zoals neergelegd in art. 1:89 lid 2 BW, in een geval als dit, waarin de wederpartij een professionele instelling is, reflexwerking ten aanzien van iedere vordering tot betaling die feitelijk neerkomt op nakoming van de betreffende overeenkomst waarvoor de toestemming van de andere echtgenoot ontbreekt.

De omstandigheid dat de bank haar onderzoeksplicht naar de echtheid van de handtekening van de echtgenote heeft geschonden, moet onder de gegeven omstandigheden worden geacht in gelijke mate als de gedraging van de man aan de schade te hebben bijgedragen. Gelet op de hiervoor weergegeven ratio van art. 1:88 BW eist de billijkheid dat de eventuele vergoedingsplicht van de man hierdoor geheel vervalt, art. 6:101 lid 1 slot BW.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2013/2
Permalink to this page
Back