EHRM (rolnummer 11239/11: Momcilovic tegen Kroatië)

Authors
Publication date 2015
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 135
Volume | Issue number 2015 | 7
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
In 1993 is de dochter en zus van klagers vermoord door een militair. Nadat deze door de strafrechter was veroordeeld, hebben klagers een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de militair en tegen de overheid. Hiertoe hebben zij eerst, zoals wettelijk is voorgeschreven, een schikkingsverzoek gedaan bij het State Attorney’s Office. Dit verzoek is afgewezen waarna klagers een vordering tot schadevergoeding hebben ingediend bij de plaatselijke rechter. In deze procedure heeft de gemachtigde van klagers een aantal malen zonder opgaaf van redenen verstek laten gaan, waarna de vordering buiten behandeling is gesteld.

Enkele jaren later dienen klagers de vordering opnieuw in, nu bij een ander gerecht, maar ditmaal zonder eerst een schikkingsverzoek bij het State Attorney’s Office te doen. Vanwege deze omissie wordt de vordering tot in hoogste ressort afgewezen.

Naar het oordeel van het Hof vormt de betreffende procesrechtelijke voorwaarde geen ontoelaatbare inbreuk op het recht op toegang tot de rechter, nu hiermee een legitiem doel wordt gediend. Door partijen te stimuleren hun zaak te schikken zonder betrokkenheid van rechters worden lange en kostbare rechtszaken voorkomen en wordt het aantal rechtszaken verminderd. Dit doel wordt door klagers ook onderkend, maar zij menen dat de voorwaarde hen in dit geval niet mag worden tegengeworpen, nu zij de weg van de minnelijke schikking al eenmaal zonder succes beproefd hebben. In dit verband merkt het Hof op dat klagers het feit dat de eerste procedure voor hen ongunstig is afgelopen aan zichzelf te wijten hebben en dat het gezien de zeer lange tijd tussen de eerste en de tweede procedure onmogelijk is te speculeren wat de uitkomst van een tweede poging tot een minnelijke schikking zou zijn geweest. Bovendien worden klagers door deze voorwaarde op geen enkele wijze in hun belang geschaad. Zo wordt de periode waarbinnen de vordering bij de rechter moet worden aangebracht door de procedure tot schikking gestuit en staat het klagers vrij de zaak alsnog bij de rechter aan te brengen als er geen voor hen bevredigende schikking wordt getroffen. Wel is waar dat klagers door de weg van de minnelijke schikking te bewandelen nog drie maanden zouden moeten wachten, maar het Hof acht deze periode niet dermate onredelijk dat daarmee de kern van het recht op toegang tot de rechter is geschonden. Ten slotte merkt het Hof op dat klagers, ook na de niet-ontvankelijkverklaring, nog altijd de mogelijkheid hadden een schikkingsverzoek bij het State Attorney’s Office te doen en, wanneer dit niet het gewenste resultaat zou opleveren, de zaak andermaal bij de rechter aan te brengen. Nu zij dit niet hebben gedaan, hebben zij zichzelf in een situatie gebracht waarin de nationale rechter zich niet over de merites van hun vordering kon uitlaten.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2015/135
Permalink to this page
Back