HR (rolnr. 11/02579, LJN BV7347)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2012 |
| Journal | Jurisprudentie Arbeidsrecht |
| Article number | 173 |
| Volume | Issue number | 2012 | 9 |
| Pages (from-to) | 1317-1328 |
| Organisations |
|
| Abstract |
De werknemer is op 18 juli 2007 door de werkgever op staande voet ontslagen. De werknemer heeft de nietigheid van dat ontslag ingeroepen. Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog bestond, ontbonden met ingang 16 april 2009 met toekenning van een vergoeding. De werknemer heeft aanspraak gemaakt op loon voor de periode van 18 juni 2007 tot 16 april 2009. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en heeft de loonvordering, na matiging tot het in art. 7:680a BW voorziene minimum, toegewezen. Het hof heeft de grief van de werknemer gericht tegen de matiging door de kantonrechter verworpen.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De rechter is op grond van art. 7:680a BW slechts bevoegd een vordering tot doorbetaling van loon die gegrond is op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst te matigen indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient de rechter bij de uitoefening van deze bevoegdheid een mate van terughoudendheid te betrachten die met deze maatstaf strookt en van die terughoudendheid in zijn motivering te doen blijken, en dient hij alle bijzonderheden van het geval in aanmerking te nemen bij zijn oordeel omtrent de aanvaardbaarheid van de gevolgen van toewijzing van de vordering tot loondoorbetaling. Weliswaar oordeelt het hof dat bij toewijzing van de vordering een wanverhouding zou ontstaan tussen het tijdvak waarover loon moet worden betaald (bijna 22 maanden) en het tijdvak waarin de werknemer feitelijk voor de werkgever heeft gewerkt (ruim een jaar), maar dit oordeel is onvoldoende om zijn beslissing te dragen. Het hof maakt immers niet duidelijk waarom in dit geval - waarin de werkgever eerst twintig maanden na het ontslag op staande voet waarvan de werknemer de nietigheid heeft ingeroepen, ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht - van een zodanige wanverhouding sprake is dat toewijzing van de vordering tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden en dat de vordering tot het in art. 7:680a BW genoemde minimum van drie maanden moet worden gematigd. NB. De HR bevestigt de maatstaf voor matiging van een loonvordering als bedoeld in art. 7:680a BW, zoals geformuleerd in eerdere jurisprudentie. Zie HR «JAR» 2010/124; HR «JAR» 2001/26; HR «JAR» 1999/11. De enkele wanverhouding tussen de periode waarover loon moet worden betaald en de periode waarin is gewerkt is niet steeds voldoende. Relevant kan zijn of de werkgever het aan zichzelf heeft te wijten dat de loonvordering is opgelopen. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JAR/2012/173 |
| Permalink to this page | |