EHRM (156/04: Wallishauser / Oostenrijk)

Authors
Publication date 2012
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 219
Volume | Issue number 2012 | 12
Pages (from-to) 2636-2648
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
De Oostenrijkse mw. Wallishauser is, sinds ze in 1987 ontslagen werd als fotografe voor de Amerikaanse ambassade in Wenen, verwikkeld in een arbeidsgeschil met de Verenigde Staten. De Oostenrijkse rechter verklaart zich bevoegd kennis te nemen van het geschil, nu de regel van staatsimmuniteit niet opgaat ten aanzien van acta jure gestionis. Het ontslag wordt nietig verklaard, en in twee afzonderlijke procedures worden de Verenigde Staten veroordeeld tot uitbetaling van achterstallig loon. Wanneer Wallishauser in 1998 een nieuwe procedure aanhangig maakt om ook betaling van het achterstallig loon vanaf 1996 te vorderen, weigert het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken de dagvaarding die door de Oostenrijkse ambassade in Washington overhandigd is, te betekenen aan het Amerikaanse ministerie van Justitie (dat bevoegd is om de VS in een civiele procedure te vertegenwoordigen) en stuurt de dagvaarding terug. Nu de dagvaarding niet juist betekend is, is een verstekvonnis niet mogelijk. Wallishauser dient een verzoek in tot betekening door publicatie of door betekening aan een door de rechtbank benoemde vertegenwoordiger. Het verzoek wordt afgewezen omdat de weigering om te betekenen een uitoefening van soevereine macht is die niet via een gerechtelijke beslissing terzijde kan worden geschoven. Ook het verzoek om de dagvaarding via diplomatieke kanalen te betekenen wordt afgewezen omdat er onder Oostenrijks recht geen basis is voor deze onder het internationaal recht bestaande mogelijkheid.

Mw. Wallishauser klaagt over een schending van haar recht op toegang tot de rechter onder art. 6, eerste lid EVRM.

Het Hof past de principes ten aanzien van immuniteit van vreemde staten en art. 6, eerste lid EVRM toe op de vraag of de aanvaarding van de weigering van de Verenigde Staten om de dagvaarding te betekenen aan het ministerie van Justitie door de Oostenrijkse rechter verenigbaar is met het recht op toegang tot de rechter. Dit betekent dat de proportionaliteit van de inperking in beginsel afhangt van de reikwijdte van de internationale regels met betrekking tot betekening van dagvaardingen aan vreemde staten. Nu onder internationaal gewoonterecht de betekening voltooid is wanneer de dagvaarding is ontvangen door het ministerie van Buitenlandse Zaken, en nu er bovendien geen immuniteit ten aanzien van onderliggende claim is, is aanvaarding van de weigering om te betekenen een disproportionele beperking van het recht op toegang tot de rechter en een schending van art. 6, eerste lid EVRM.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2012/219
Permalink to this page
Back