Misvattingen in de Nederlandse visie op risicotaxatie
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 08-2018 |
| Journal | Tijdschrift voor Psychiatrie |
| Volume | Issue number | 60 | 8 |
| Pages (from-to) | 508-510 |
| Number of pages | 3 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Oktober 2017 werd Nederland opgeschrikt door alarmerende berichtgeving over het feit dat het recidiverisico onder zedendelinquenten niet op de juiste manier wordt
ingeschat (Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen 2017). De media besteedden veel aandacht aan deze conclusie van de Nationaal Rapporteur, Corinne Dettmeijer, omdat haar rapport vlak na de verdwijning van Anne Faber verscheen, waarbij een zedendelinquent betrokken was. De Nationaal Rapporteur benadrukt met overweldigend wetenschappelijk bewijs dat het recidiverisico beter kan worden ingeschat met actuariële dan met klinische instrumenten. In internationale wetenschappelijke literatuur is hierover brede consensus en daarom zijn actuariële instrumenten in de internationale klinische praktijk de standaard. Het is dan ook zeer opmerkelijk dat Nederland een andere koers vaart door klinische instrumenten te gebruiken voor het inschatten van het recidiverisico van zedendelinquenten. Ook in andere domeinen, zoals jeugdbescherming, worden overwegend klinische instrumenten gebruikt om risico’s in te schatten. Recent onderzoek laat zien dat het klinische instrument dat in Nederland het meest wordt gebruikt om het risico op kindermishandeling in te schatten zeer slecht presteert (Van der Put e.a. 2016). Desondanks wordt dit instrument nog steeds grootschalig gebruikt in de Nederlandse praktijk. |
| Document type | Article |
| Language | Dutch |
| Published at | http://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/issues/530/articles/11721 |
| Permalink to this page | |
