HR (zaaknr. 11/04002: cassatie in het belang der wet: is gemeentelijke 55+-regeling in het kader van reorganisatie terecht aangemerkt als een VUT-regeling die uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht?)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2012 |
| Journal | BNB : Beslissingen in Belastingzaken |
| Article number | 310 |
| Volume | Issue number | 2012 | 24 |
| Pages (from-to) | 5539-5564 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Onderdeel van de pensioenregelingen van belanghebbende, de gemeente Assen, vormt een FPU-regeling die de mogelijkheid biedt om aanvullende arrangementen af te sluiten. Per 1 augustus 2006 ontvangt een medewerker van belanghebbende op basis van een aanvullende 55+-regeling tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd (een aanvulling tot) 80% van zijn laatstgenoten salaris. Belanghebbende heeft een bedrag als eindheffing over deze uitkering verantwoord in de rubriek "Eindheffing Vutregeling". Voor de Rechtbank was in geschil of sprake was van een voorziening voor vervroegde uittreding die niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht. De Rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord. De Advocaat-Generaal heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld in het belang der wet.
De Hoge Raad verwerpt het betoog van de A-G dat uit de parlementaire geschiedenis het uitgangspunt is af te leiden dat indien aan een oudere werknemer een afvloeiingsregeling wordt toegekend die voorziet in een overbruggingsuitkering tot zijn pensioeningangsdatum, geen sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding indien het ontslag het gevolg is van een reorganisatie. Wat betreft de vraag of de 55+-regeling een voorziening voor vervroegde uittreding inhoudt die uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht, stelt de Hoge Raad voorop dat een belangrijke indicatie voor hetgeen in dit verband naar maatschappelijke opvattingen redelijk is te achten, ontleend kan worden aan regelingen omtrent vervroegd uittreden die in de praktijk niet ongebruikelijk zijn. Niet kan echter worden gezegd dat de meest gunstige van die andere regelingen maatgevend zijn voor hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk is te achten. De Rechtbank heeft uit onderzoeksresultaten kennelijk afgeleid dat deze regeling dermate ongebruikelijk is dat deze naar de destijds geldende maatschappelijke opvattingen niet redelijk kan worden geacht. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Bij de beoordeling of een regeling voor vervroegde uittreding een voorziening inhoudt die niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht, gaat het om de inhoud van de voorziening; niet doorslaggevend zijn de vormgeving van de regeling, het fiscale regime dat op die regeling van toepassing is en de wijze waarop die regeling is gefinancierd. Voor zover collectieve stamrechtovereenkomsten ertoe strekken een voorziening voor vervroegde uittreding te bieden, kan wel aan de ingangsdatum en het uitkeringsniveau van deze stamrechten een aanwijzing worden ontleend omtrent hetgeen naar maatschappelijke opvattingen als redelijk moet worden beschouwd. Partijen hebben zich echter niet beroepen op de gebruikelijke omvang van dergelijke stamrechten, en de Rechtbank hoefde dit niet ambtshalve te onderzoeken. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00BF331D&cpid=WKNL-LTR-Navigator |
| Permalink to this page | |