HR (rolnummer 12/01670, LJN BZ2907: berekeningsgrondslag gegarandeerde beloning oproeparbeid; per afzonderlijke oproep aanspraak op drie uur loon; mogelijkheid van dubbele beloning)

Open Access
Authors
Publication date 2013
Journal Jurisprudentie Arbeidsrecht
Article number 140
Volume | Issue number 2013 | 8
Pages (from-to) 1037-1057
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Hugo Sinzheimer Instituut (HSI)
Abstract
Werkneemster is als taxichauffeur in dienst van werkgever, aanvankelijk als afroepkracht op basis van een nulurencontract, later voor 12 uur per week zonder vastlegging van werktijden. Haar werkzaamheden betreffen het rijden van vaste schoolroutes en losse ritten op oproep. Is het totaal aantal uren hoger dan 12 uur per week, dan worden de meeruren uitbetaald. Is dit aantal minder, dan wordt op basis van 12 uur afgerekend en worden de minderuren als verlofuren aangemerkt. Werkneemster vordert betaling van achterstallig loon op de grond dat ingevolge art. 7:628a BW voor iedere aaneengesloten periode waarin zij heeft gereden tenminste drie uur loon verschuldigd zou zijn. In feitelijke instanties wordt deze vordering (slechts) gedeeltelijk toegewezen. Vanwege het duidelijke arbeidspatroon achten de kantonrechter en het hof art. 7:628a BW niet van toepassing op de schoolritten. De kantonrechter oordeelt dat een redelijke uitleg van art. 7:628a BW meebrengt dat indien de duur van het totaal van alle (apart geregistreerde) taxiritten op een bepaalde dag minder dan drie uur is, werkneemster daarvoor recht heeft op uitbetaling van drie uur. Het hof past de bepaling op een andere, voor de werknemer iets gunstigere wijze toe. Een redelijke uitleg brengt volgens het hof mee dat voor een verlengde schooldienst die korter heeft geduurd dan drie uur, toch drie uur loon verschuldigd is en dat indien een rit - zijnde een aangevangen rit en alle binnen 15 minuten na het einde daarvan op elkaar aansluitende ritten - de periode van drie uur overschrijdt, de werkelijk gewerkte tijd voor die rit(ten) wordt vergoed (en dus niet een forfaitair meervoud van drie uur). Indien een forfaitair verlengde rit aansluit op een nieuwe rit, moet de werkelijke werktijd van de nieuwe rit volgens het hof opgeteld worden bij de forfaitaire periode van drie uur. Aldus wordt voorkomen dat bepaalde delen van de dag "dubbel" betaald worden, hetgeen volgens het hof niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. De Hoge Raad oordeelt daarover anders. De werknemer wiens arbeidsvoorwaarden voldoen aan de in art. 7:628a BW genoemde voorwaarden en die meerdere malen per dag wordt opgeroepen werk te verrichten, heeft over elke afzonderlijke periode van arbeid - afgezien van een onderbreking door een reguliere werkpauze - recht op loon voor een periode van minimaal drie uur, ook als dat leidt tot "dubbele" beloning over bepaalde tijdvakken. De tekst van art. 7:628a BW verzet zich niet tegen dubbele beloning. Dubbele beloning strookt bovendien met de beschermende strekking van de bepaling: aldus wordt bevorderd dat de werkgever het werk zodanig inricht dat de werknemer niet meerdere malen per dag voor telkens een korte periode wordt opgeroepen, althans dat de werknemer daarvoor wordt gecompenseerd. Volgens de Hoge Raad blijkt uit de gekozen systematiek dat de wetgever de gedachte dat de werknemer in die situaties meer loon ontvangt dan de (duur van de) arbeidsprestatie rechtvaardigt, heeft aanvaard.

NB. Eerste uitspraak van de Hoge Raad met betrekking tot art. 7:628a BW sinds de invoering van de bepaling in 1999 ter versteviging van de positie van de oproepkracht. Het (vrij vergaande) oordeel van de Hoge Raad (dat overigens wel te verenigen is met de letter van de wet) is met name op de bescherming van de oproepkracht geënt.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JAR/2013/140
Downloads
Permalink to this page
Back